De slachters van Pijnacker - Stadsarchief Delft
Register met namen van personen die vergunning krijgen een bepaald beroep uit te oefenen, 1750-1806, folio 5 (Archief 1, inv.nr 2502)

Register met namen van personen die vergunning krijgen een bepaald beroep uit te oefenen, 1750-1806, folio 5 (Archief 1, inv.nr 2502)

Register met namen van personen die vergunning krijgen een bepaald beroep uit te oefenen, 1750-1806, folio 84 (Archief 1, inv.nr 2502)

Register met namen van personen die vergunning krijgen een bepaald beroep uit te oefenen, 1750-1806, folio 84 (Archief 1, inv.nr 2502)

8 november 2018:

De slachters van Pijnacker

Molenaar Dirk Cornelis Boer uit Berkel en Rodenrijs, bakker Johannes Wilhelm Korts uit Maassluis, slager Evert Kroesbeek uit Wateringen, bleker Theunis van Gaale uit Den Hoorn – allemaal moeten zij in 1750 naar Delft om te worden beëdigd door de schepenbank, net als honderden anderen. Delft is namelijk de hoofdplaats van het belastingdistrict Delfland. Op tal van producten en diensten wordt accijns geheven, vergelijkbaar met onze BTW. Denk aan het malen van koren, het verkopen van brood en vlees of het gebruik van zeep door een blekerij. De Delftse schepenen moeten erop toezien dat iedereen die het aangaat, de accijns int van de afnemers en afdraagt aan de ontvanger. De basis voor dat toezicht is de beëdiging.

In het Delftse Stadsarchief bevindt zich een register met de namen van duizenden personen uit Delft en Delfland die tussen 1750 en 1806 zo’n eed afleggen. Het is een fantastische bron voor de geschiedenis van de bedrijvigheid in de stad én het omringende platteland. Zo kun je onderaan folio 5 zien dat molen De Roos een echt familiebedrijf is. In 1750 wordt het gerund door de gebroeders Nicolaas en Jeremias Kouwenhoven, met hun zoons Frans en Ary als knechts. Vier jaar later zijn de beide molenaars nog in touw. Er zijn nu drie knechts: Cornelis, Jan en Gijsbrecht – allemaal met de achternaam Kouwenhoven natuurlijk.

Op folio 84 lezen we dat er in januari 1750 in Den Hoorn twee bakkers zijn: Robbregt van der Zwaan en Jacob Okkenburgh. Een jaar later wordt de vrouw van Robbregt beëdigd, misschien omdat haar man is overleden. Er zijn ook twee slachters: Cornelis Thoneveld en Willem van der Lelij. Een derde slachter, Gerrit van Dijk genaamd, woont in ‘Noorthoorn’.

In Pijnacker zijn ook maar twee bakkers: Pieter van der Mist en Andries Peijs. Dat lijkt weinig voor zo’n uitgestrekt dorp. Helemaal bijzonder wordt het als we zien dat er in 1750 maar liefst zestien slachters uit Pijnacker worden beëdigd. Of we hieruit mogen afleiden dat er veel carnivoren wonen? Typisch zo’n onderwerp dat nader onderzoek verdient.

Inloggen