Verborgen begraafplaats - Stadsarchief Delft
Begraafboek Joodse gemeente, 1860-1919 (Archief 458, inv.nrs 81 en 82)

Begraafboek Joodse gemeente, 1860-1919 (Archief 458, inv.nrs 81 en 82)

Joodse begraafplaats, ca. 1960, foto Tiemen van der Reijken (TMS 38117)

Joodse begraafplaats, ca. 1960, foto Tiemen van der Reijken (TMS 38117)

25 september 2018:

Verborgen begraafplaats

Op een afgeschermd veldje achter het Heilig Landpark tussen de Geertruyt van Oostenstraat en het Jan Joostenplein ligt de Joodse begraafplaats. Het is aan de oprukkende bebouwing én aan een archiefstuk te danken dat de hier begraven Delftenaren niet zijn vergeten.

De Joodse gemeente in Delft kreeg in 1845 het recht een begraafplaats in te richten achter de Oostsingel, toen nog buiten de bebouwde kom. Na de eigen dodenakker wisten de Joden een synagoge op te richten, die in 1862 aan de Koornmarkt werd ingewijd. De geloofsgemeente bestond voornamelijk uit middenstanders en een aantal hoogleraren die aangesteld waren aan de Polytechnische School, de voorloper van TU Delft.

Achteraf bezien was de Joodse gemeente in Delft aan het eind van de negentiende eeuw op haar hoogtepunt. De gemeente verkeerde nadien continu in geldnood en werd in 1926 bijna opgeheven. Nadat in de oorlogsjaren vrijwel alle Delftse Joden waren weggevoerd en vermoord, sloot de gemeente zich aan bij de Haagse gemeente. De synagoge sloot de deuren en de joodse begraafplaats raakte in vergetelheid. Dat veranderde toen de oprukkende bebouwing de begraafplaats naderde en bewoners van de nieuwe huizen zicht kregen op deze vervallen strook grond. Joodse begraafplaatsen worden in de regel niet geruimd, maar omdat hier geen onderhoud meer werd gepleegd verslechterde de situatie zienderogen.

In 1959 sprak de Delftsche Courant er schande van. Tal van grafzerken waren ‘door jeugdige grafschenders uit de grond gerukt en vernield’. Omwonenden wisten zelfs te vertellen dat door het gebruik als speelterrein de grond zover was omgewoeld dat enkele graven bloot kwamen te liggen ‘en de jeugd elkaar met knekels bekogelde’. De gemeente liet een gedegen afscheiding om de begraafplaats maken. Om verdere vernieling aan de zerken te voorkomen, werden deze horizontaal gelegd.

De graven lijken zo een anonieme toekomst tegemoet te zijn gegaan. In het Stadsarchief is gelukkig nog het Begraafboek van de Joodse gemeente bewaard gebleven. De aantekeningen hierin leren ons bijvoorbeeld dat de cholera-epidemie in 1867 ook de Joodse gemeenschap raakte. Elias Victor Koster en Sara van der Noot moesten hun dochter Duifje begraven, ze was op vijf dagen na één jaar oud. Het zeer te betreuren meisje verkeerde op de begraafplaats in chique kring. Een jaar later volgden de natuurkundige S.A. Bleekrode en directeur van de Indische Instelling Salomon Keyzer. Wat de verweerde stenen niet altijd meer prijsgeven, blijft in dit Begraafboek nog wel behouden.

Inloggen
Share
Tweet
Share
+1