De plundering van het Sint-Lucasgilde – Stadsarchief Delft
Tekening van de meesterproef van de schilders, 1795 (TMS 83566)

Tekening van de meesterproef van de schilders, 1795 (TMS 83566)

Fragmenten van een register met rekeningen van inkomsten en uitgaven van het Sint-Lucasgilde, 1537-1593 (Archief 229, inv.nr 290)

Fragmenten van een register met rekeningen van inkomsten en uitgaven van het Sint-Lucasgilde, 1537-1593 (Archief 229, inv.nr 290)

20 december 2018:

De plundering van het Sint-Lucasgilde

Wie de term Sint-Lucasgilde hoort of leest, denkt onwillekeurig in de eerste plaats aan schilders. Het omvatte echter veel meer beroepsgroepen. Volgens de ordonnantie van 1611 vielen onder het gilde ook de glasschrijvers, glazenmakers, glasverkopers, plateelbakkers, tapijtwerkers, borduurwerkers, plaatsnijders, beeldensnijders, schedenmakers, drukkers en de verkopers van boeken, kunst en schilderijen. Iedereen die deze beroepen als zelfstandig ondernemer wilde uitoefenen, moest lid zijn van het gilde. Voor alle groepen gold als toelatingseis het poorterschap en de betaling van entreegeld en contributie. Beoefenaren van een aantal meer creatieve ambachten moesten bovendien een proefstuk vervaardigen om te laten zien dat zij het vak beheersten. Voor de schilders was dat een stilleven met onder meer een vijzel voor het fijnwrijven van ingrediënten voor kleurstoffen, een palet voor het mengen van kleuren en een ossenkop. De os was het traditionele symbool van de evangelist Lucas, de beschermheilige van het gilde.

Deze tekening uit 1795 behoort tot de schamele restanten van het archief van het Sint-Lucasgilde. De incompleetheid is ironisch genoeg juist te wijten aan de grote belangstelling die de Delftse schilderkunst al vroeg ten deel viel. Bij de opheffing van het gilde in 1833 werd de kist met de administratie netjes ingeleverd in het stadhuis. Maar toen de eerste gemeentearchivaris Jan Soutendam hem bij zijn aantreden in 1859 opende, bleek hij leeg te zijn. Het heeft er alle schijn van dat de archivalia intussen waren ‘geleend’ door onderzoekers, maar nooit werden terugbezorgd. De meeste zijn sindsdien zoek, maar sommige onderdelen zijn gelukkig via allerlei omzwervingen toch in openbare collecties terechtgekomen. Zo bezit de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag de meesterboeken uit de jaren 1613-1714.

In 1966 dook bij een antiquaar in New York een mapje op met fragmenten van een register van inkomsten en uitgaven uit de periode 1537-1593. Het behelst informatie van onschatbare historische waarde over Delftse kunstenaars, die we uit geen enkele andere bron kennen. Op het kaftje staan potloodaantekeningen van ene W.B., wat ongetwijfeld staat voor Willem Bürger. Dit was het pseudoniem van de Franse kunsthistoricus E.J.T. Thoré (1807-1869), die wel wordt beschouwd als de ‘ontdekker’ van Vermeer. In 1967 kocht de gemeente Delft het mapje aan en nu behoort het – hoe onooglijk het er ook uitziet – tot de topstukken van het Stadsarchief.

Inloggen
Share
Tweet
Share
+1