Declarabele uitvaartkosten – Stadsarchief Delft
Rekening van de burgemeesters voor de uitvaart van Frederik Hendrik, 1647 (Archief 1, inv.nr 468)

Rekening van de burgemeesters voor de uitvaart van Frederik Hendrik, 1647 (Archief 1, inv.nr 468)

10 december 2018:

Declarabele uitvaartkosten

Uitvaarten van leden van de stadhouderlijke familie waren heuse spektakelstukken die veel aandacht trokken. Net als nu lagen er draaiboeken klaar waarin alles tot in de puntjes werd geregeld. De uitdossing van de baar, het schoonmaken van de route van de rouwstoet, het uitnodigen van de gasten, het verdelen van de zitplaatsen in de kerk, enzovoorts. En natuurlijk de publiciteit voor en na de plechtigheid.

In 1647 werd de zeer geliefde Frederik Hendrik bijgezet in de Nieuwe Kerk. De organisatie van het Delftse deel van de uitvaart was zoals gebruikelijk een taak van het stadsbestuur. Dat wilde best groot uitpakken om te laten zien hoezeer men op de stadhouder gesteld was, maar het moest natuurlijk geen geld kosten. De burgemeesters hielden de uitgaven dan ook zorgvuldig bij, om ze achteraf te kunnen declareren bij het gewestelijk bestuur van Holland. Dat was officieel de werkgever van de stadhouder en draaide op voor de kosten. Op de hier afgebeelde conceptrekening is 1417 gulden aan uitgaven opgevoerd. De netversie en de bijbehorende bewijsstukken dienden de burgemeesters in als declaratie. De teruggave had kennelijk nogal wat voeten in de aarde, want pas in 1652 kon de thesaurier de ontvangst inboeken. Hij had echter weinig reden tot klagen, want het overlijden van Frederik Hendrik leverde Delft ook een flinke financiële meevaller op. Bij de doop van de prins in de Nieuwe Kerk, op 12 juni 1584, waren de burgemeesters uitgenodigd als doopgetuigen. Als dank voor deze eer kenden zij hem een royale lijfrente toe van 400 gulden. Dat bedrag hadden de thesauriers 63 jaar lang uitgekeerd, maar sinds het overlijden van Frederik Hendrik waren zij van deze kostenpost bevrijd.

Inloggen
Share
Tweet
Share