Een goed rapport – Stadsarchief Delft
Frederik Willem Conrad (1769-1808). Stippelgravure door Johannes Anspach in opdracht van de regenten van de Fundatie, c. 1808. (TMS 6544)

Frederik Willem Conrad (1769-1808). Stippelgravure door Johannes Anspach in opdracht van de regenten van de Fundatie, c. 1808. (TMS 6544)

5 mei 2019:

Een goed rapport

‘Is dom, luij, en heeft geen lust om iets te leeren, zo dat er niet van kan gemaakt worden.’ Het zal je maar gezegd worden, als aspirant-leerling van de Fundatie van Renswoude. Het is duidelijk: de lat ligt hoog en de rapporteur is streng. Maar áls je wordt toegelaten en je doet je best, dan kun je het ver brengen.

Als Maria Duyst van Voorhout, vrijvrouwe van Renswoude, in 1754 overlijdt, is zij met een vermogen van twee miljoen gulden de rijkste vrouw van de Republiek. Driekwart verdeelt zij tussen de weeshuizen in Delft, waar zij in 1662 is geboren, Den Haag, waar zij een groot deel van haar leven heeft gewoond, en Utrecht, waar zij sterft. De plaatselijke regenten moeten een internaat stichten waar getalenteerde weesjongens een opleiding krijgen, met wiskunde als basis.

De Delftse Fundatie van Renswoude wordt gehuisvest aan de Oude Delft, nu nummer 49. Het pand wordt op 11 december 1759 geopend met een redevoering van drie uur door de wiskundige Johannes van der Wall, de eerste instructeur. Tot zijn dood in 1787 is hij bij de Fundatie werkzaam. Hij beoordeelt de jongens die de schoolmeester van het Weeshuis naar hem doorverwijst. Van der Wall geeft hun enige tijd onderwijs en rapporteert zijn bevindingen aan de regenten. De meeste jongens voldoen niet aan zijn strenge eisen; het bovenstaande citaat staat niet op zichzelf. Een oordeel als ‘heeft niet veel bekwaamheid, maar eenigen ijver’ is al behoorlijk positief. Slechts een enkele keer is hij oprecht enthousiast, met als onbetwiste uitschieter deze opmerking over een knaap die hij in 1782 onder zijn hoede krijgt: ‘Is excellent goed, heeft goede vermogens, een goeden imborst en is zeer naarstig.’

De jongen in kwestie is de twaalfjarige Frederik Willem Conrad. Hij blinkt uit in wiskunde, maar ook in andere technische vakken. Hij wordt landmeter en waterbouwkundige en werkt bij de genie en de artillerie. De kroon op Conrads carrière volgt in 1807 met de benoeming tot inspecteur-generaal van de waterstaat, de hoogste ambtenaar van die dienst. Hij kan er maar kort van genieten: een jaar later sterft hij aan roodvonk. De regenten van de Fundatie laten een portret graveren ter ere van de beste pupil die zij ooit hebben gehad.

Inloggen
Share
Tweet
Share
+1