Geluk bij een ongeluk - Stadsarchief Delft
Ontwerptekening voor de gevel van het Hofje van Gratie, c. 1660. Hierop ontbreekt nog de later aangebrachte gevelsteen. (TMS 118861)

Ontwerptekening voor de gevel van het Hofje van Gratie, c. 1660. Hierop ontbreekt nog de later aangebrachte gevelsteen. (TMS 118861)

Ondertekeningen van het reglement door bewoners van het Hofje van Gratie, vanaf 1700 (Archief 211, inv.nr 170)

Ondertekeningen van het reglement door bewoners van het Hofje van Gratie, vanaf 1700 (Archief 211, inv.nr 170)

8 december 2018:

Geluk bij een ongeluk

De kruithuisontploffing van 1654 was een regelrechte ramp, maar een geluk bij een ongeluk voor de bewoners van het Hofje van Gratie. Dat was in 1573 gesticht op de Geer door burgemeester Pieter Pietersz Sasbout. Op het achterterrein van zijn huis aan het begin van de Breestraat bouwde hij zes woninkjes. Die waren bestemd voor gratis bewoning door echtparen van minstens vijftig jaar oud, ‘sonder kinderen of ander volck bij haer in te hebben’.

In 1660 wilden de Staten van Holland het Armamentarium uitbreiden. De nazaten van de stichter die het hofje bestuurden, verkochten de huisjes en de bijbehorende percelen voor goed geld. Zij vonden een nieuwe locatie aan de Van der Mastenstraat, in het gebied dat was verwoest door de Delftse Donderslag. Het stadsbestuur stelde gratis grond beschikbaar ‘die doen vol puijn en vuijligheijt lach’. Al met al bleek het mogelijk om het aantal huisjes met één uit te breiden, zoals wordt vermeld op de gevelsteen: ‘Wy stonden eertyds op de Geer / Zes in getal doch nu een meer.’

Op 8 juli 1660 werd de eerste steen gelegd en voor het einde van het jaar waren de huisjes zo goed als klaar, met dank aan het ‘schoon drooch en gewenst weder’. Het hofje beschikte over riolering, een bijzonder moderne voorziening voor die tijd, en aan de achterzijde lagen een galerij en een tuintje voor gezamenlijk gebruik. De bewoners gingen er flink op vooruit en de verhuizing werd dan ook aangegrepen om de eisen aan de doelgroep te verhogen. Eerder woonden er nog wel mensen die een uitkering van de Kamer van Charitate ontvingen, maar dat was vanaf nu taboe. Sterker nog: nieuwe bewoners moesten een entreegeld betalen van vijfentwintig gulden per persoon, ongeveer een maandloon. In 1699 werd het verhoogd tot veertig gulden en bovendien moest iedereen bij overlijden minstens tien gulden aan het hofje nalaten.

In vijf van de zeven huisjes woonde een echtpaar, in de beide andere werden de twee kamertjes betrokken door twee ongehuwde vrouwen. De opsteller van het reglement voorzag kennelijk dat het lastig zou zijn om met veertien personen zo dicht op elkaar te leven. De bewoners werden daarom op straffe van uitzetting gemaand zich te onthouden ‘van alle gekijf, vechterij, onruste, dronckeschap, ontuchtig leven ende andere quaede huijshoudinge’.

Inloggen
Share
Tweet
Share
+1