Turftonsters - Stadsarchief Delft
Bladzijde uit het register van turfdragers en turftonsters, 1558-1574 (Archief 1, inv.nr 1821)

Bladzijde uit het register van turfdragers en turftonsters, 1558-1574 (Archief 1, inv.nr 1821)

8 januari 2019:

Turftonsters

Op het eerste gezicht is het vreemd dat Delft een Brabantse Turfmarkt heeft. Werd hier in de omgeving dan geen turf gewonnen? Jazeker, maar dat is juist de crux: de Delftse vraag was zo enorm groot, dat het omliggende platteland daar bij lange na niet aan kon voldoen. Turf was overal een onmisbare brandstof, bijvoorbeeld voor huishoudelijk gebruik of voor bakkersovens. Maar in Delft kwam daar nog iets bij: de belangrijkste economische sectoren waren enorme energievreters. Tot de zestiende eeuw de bierbrouwerij, in de zeventiende en achttiende eeuw de plateelbakkerij.

De turf werd per schip aangevoerd en aan land gebracht in tonnen. Die werden gevuld door tonsters en versjouwd door dragers. Zij moesten bijhouden hoeveel tonnen zij losten, want dat bepaalde hoeveel accijns verschuldigd was. Dit was een taak met veel verantwoordelijkheid en dat was precies de reden waarom niet iedereen dit werk mocht doen: het stadsbestuur bepaalde wie het ‘officie’ van turftonster en -drager mocht vervullen. Zij moesten zelfs een eed afleggen, waarbij zij beloofden getrouw hun ambt te vervullen, zodat de stadskas niets tekort zou komen.

Uit de zestiende eeuw is een registertje bewaard waarin de secretaris of zijn klerk de namen van de turfdragers en -tonsters noteerde. Het stadsbestuur gunde deze baantjes doorgaans aan mensen die anders volledig ten laste zouden komen van de armenzorg, zoals behoeftige weduwen of gehandicapten. Maar het was zwaar werk, dat bovendien niet best betaalde en geen vast inkomen opleverde. Het werd namelijk verricht tegen stukloon, dus als je ziek was of de aanvoer van turf stokte omdat de vaarten waren bevroren, verdiende je niets.

Het aantal doorhalingen in het lijstje doet misschien vermoeden dat het verloop heel groot was. Alsof iedereen die iets beters kon vinden, het officie snel overdeed aan iemand anders. Maar als je kijkt waaróm mensen werden vervangen, blijkt de waarheid een stuk pijnlijker. Adriaen Jansdochter werd in juni 1569 van haar eed ontslagen wegens ouderdom en Femme Jacobs verhuisde naar Leiden. Maar bij liefst vier vrouwen staat kortaf obiit, Latijn voor ‘overleden’. Zij hadden – vermoedelijk noodgedwongen en misschien wel letterlijk – doorgewerkt tot zij erbij neervielen.

Inloggen
Share
Tweet
Share
+1