Particuliere scholen – Stadsarchief Delft
Gravure van een schoollokaal op de titelpagina van een in Delft gedrukt boekje, 1678. (Bibliotheek)

Gravure van een schoollokaal op de titelpagina van een in Delft gedrukt boekje, 1678. (Bibliotheek)

Bladzijde uit het register van schoolhouders, 1589-1805. (Archief 1, inv.nr 1808)

Bladzijde uit het register van schoolhouders, 1589-1805. (Archief 1, inv.nr 1808)

17 mei 2019:

Particuliere scholen

Het is eigenlijk een verrassend klein boekje, het register waarin personen worden genoteerd die tussen 1589 en 1805 toestemming krijgen om onderwijs te verzorgen. En dat terwijl het er toch vele honderden zijn. Zij geven les aan kinderen die niet naar de Latijnse School kunnen of mogen en ook niet in aanmerking komen voor de armenschool.

Leerplicht bestaat weliswaar nog niet, maar wie vooruit wil komen heeft wel onderwijs nodig. Mogelijkheden genoeg, zo blijkt uit deze bron. Het begint allemaal met leren lezen op een van de vele zogenaamde kleinkinderscholen, die hoofdzakelijk worden gedreven door vrouwen. Mannen verzorgen het onderwijs aan oudere kinderen en geven meestal meer dan één vak. Zo krijgt meester Willem Jacobus uit Bolsward in 1595 toestemming om een schrijfschool te beginnen, ‘mitsgaders de kinderen te leren cijferen en rekenen’. Er zijn altijd meerdere scholen waar je Frans kunt leren, dé internationale taal van die tijd. De voormalige monnik Martijn Everard uit Saint-Omer houdt geen school, maar doceert Frans ‘langs de huysen’. Zilversmid Moyses van Etteren gaat naast of misschien wel in plaats van zijn eigenlijke ambacht lessen geven in Duits en Italiaans. Charles de Mahu is van nog meer markten thuis: bij hem kun je vanaf 1601 terecht voor lezen, schrijven, rekenen, cijferen, Frans en zelfs Latijn.

Denk nu niet dat de registratie door het stadsbestuur garandeert dat de genoemde schoolhouders voldoende didactische kwaliteiten bezitten. Het gaat er namelijk om dat zij beloven niets te onderwijzen dat in strijd is ‘mette gereformeerde religie die alhier gepredickt werdt’. Pas in 1663 wordt een verordening uitgevaardigd die eisen stelt aan hun vakbekwaamheid. Zij moeten een proeftijd doorlopen en een examen afleggen bij de vier ‘opsienders’ die door het stadsbestuur zijn aangesteld.

Dankzij deze bron kennen we dan wel de namen van honderden schoolhouders, maar waar zij les geven, hoe lang, aan wie en hoe goed blijft ongewis. Bovendien staat vast dat niet alle onderwijzers zich laten registreren. Er zijn particuliere docenten en kostscholen die helemaal geen registratie nodig hebben om aan klanten te komen. En katholieken blijven ook buiten beeld omdat zij niet kunnen en willen voldoen aan de godsdienstige basiseisen. Het Delftse onderwijsaanbod is dus nog veel rijker geschakeerd dan dit register doet vermoeden.

Inloggen
Share
Tweet
Share